Wat is Selectief Mutisme

Selectief mutisme is een zeldzame, complexe angststoornis. Ongeveer 8 op de 10.000 kinderen van zeven jaar heeft selectief mutisme. Kinderen met selectief mutisme spreken uitsluitend in een voor hem of haar bekende omgeving tegen gezinsleden of andere naasten, terwijl spreken tegen anderen volledig ontbreekt. Kinderen met selectief mutisme begrijpen gesproken taal wel en kunnen ook normaal spreken in een omgeving of situatie waar ze zich veilig en ontspannen voelen.

Het is op zich niet vreemd dat een kind in een nieuwe situatie een bepaalde periode niet spreekt tegen vreemden, maar meestal komt na een periode van gewenning de normale verbale communicatie op gang. Dit is niet het geval met kinderen met selectief mutisme.

Vaak wordt verondersteld dat een kind met selectief mutisme niet wil spreken en dit weigert uit koppigheid, of gewoon geen zin heeft om te spreken.
Kinderen met selectief mutisme kunnen wel spreken, maar zijn te angstig om dit te kunnen doen in bepaalde situaties. Vaak wordt de opmerking dan ook gemaakt dat een kind wel zal spreken wanneer hij dit wil. Het is juister om te stellen dat deze kinderen niet spreken ondanks dat zij dit wel kunnen en willen. Kinderen met selectief mutisme spreken niet omdat de spanning die dit veroorzaakt (of bij hen heeft veroorzaakt in het verleden) te groot is.
Deze gewaarwording van zich oncomfortabel voelen wanneer geprobeerd wordt te spreken is fundamenteel aan het ontwikkelen van selectief mutisme. Na verloop van tijd leren deze kinderen dat deze gevoelens van angst ontweken kunnen worden door stil te zijn, of nog beter, door niet meer te proberen te spreken.

Meer dan 90% van de kinderen met selectief mutisme hebben tevens sociale angst of een sociale fobie.

Selectief mutisme is een zeldzame stoornis en werd tot voor kort meer als iets vreemds beschouwd dan als iets dat gekoppeld was aan de vaker voorkomende psychiatrische stoornissen van de kinderleeftijd , adolescentie en volwassenheid. Wanneer de stoornis ernstige vormen aaneemt, kan het gepaard gaan met een buitensporig slechte sociale aanpassing (Kolvin & Fundudis, 1981) en met het risico van levenslang sociaal disfunctioneren.

Geschreven door Natascha van Duyvenbode